U bent hier

Het Sint-Janshospitaal in Brugge

Het Sint-Janshospitaal in Brugge

INHOUD

MEMLINGmuseum

Sint-Janshospitaal Brugge

  • Brugge, een stad met Europese uitstraling in de middeleeuwen
  • Iconografie van het Sint-Janshospitaal
  • Beheer, administratie en economie
  • Het leven in de ziekenzalen
  • Verzorging
  • Ziekte en dood
  • De kerk, de Corneliuskapel en de werken van Hans Memling
  • Apotheek en remedies


Brugge, een stad met Europese uitstraling in de Middeleeuwen

 

 
Recent archeologisch onderzoek heeft bevestigd dat er in de Romeinse Tijd  --  periode te situeren van de 1ste tot de 3de eeuw van onze tijdrekening  --  op het grondgebied waar Brugge zich zal ontwikkelen, reeds bewoning was. In de vroege middeleeuwen, de zogenaamde Merovingische Periode, tussen de 6de en de 8ste eeuw, kunnen er kernen van bewoning ontstaan zijn op het huidige stadsgrondgebied, maar daarover is nauwelijks iets met zekerheid geweten.
 
 
Voor het eerst wordt de stad vermeld in een 9de-eeuwse geschreven bron. Uit de context kan men afleiden dat Brugge reeds een centrum van enige betekenis moest zijn. Deze ontwikkeling was te danken aan een samenloop van omstandigheden.
 
 
Onder impuls van de Karolingers werden gedurende de 9de eeuw een reeks burchten gebouwd om de kustgordel te beschermen tegen de invallen van de Noormannen. Een dergelijke burcht vormde zeker het militaire centrum van de stad, die toen reeds Brugge werd genoemd. Inmiddels was deze kern eveneens de hoofdplaats of het administratief centrum van de Pagus Flandrensis of de Vlaamse Gouw geworden. Onder meer door verzwakking van het centrale gezag, in handen van de afstammelingen van Karel de Grote, verkreeg de toenmalige administratief verantwoordelijke, de comes of graaf, Boudewijn I, aanzienlijke macht. Hij resideerde in Brugge eveneens op de burcht. Van hieruit zal hij de Vlaamse Pagus uitbouwen tot het erfelijke Graafschap Vlaanderen. Hij stond aan de wieg van een ganse grafelijke dynastie, die een belangrijke rol zou spelen in het toenmalige Europa. Door het betrachten van zelfstandigheid zullen zij dikwijls in onmin leven met hun vazal, de Franse Koning. Ook door de banden die zij hadden met Engeland, waarmee zij, omwille van handelsbelangen, levensbelangrijke contacten zullen uitbouwen.
 
 
Een eeuw later zal graaf Arnulf I van de burcht een machtscentrum met keizerlijke allures maken. Onder zijn impuls wordt daar immers de Sint-Donaaskerk opgericht, een centraalbouw geïnspireerd op de Paltskapel van Aken. Kerk en het daaraan verbonden kapittel zullen niet alleen op religieus vlak een belangrijke rol spelen maar ook uitgroeien tot een educatief en cultureel centrum met wereldfaam.
 
 
Naast de burcht, die vandaag nog de naam Burg draagt moet er, naar men vermoed, in de 9de eeuw iets zuidelijker, reeds een kern van stadsbewoning zijn ontstaan, tussen de huidige Steenstraat, Zuidzandstraat en de Oudeburg. De hypothese leeft dat er hier reeds een internationale handelsbedrijvigheid heerste. De contacten verliepen waarschijnlijk over land.
 
De moord op graaf Karel de Goede op 2 maart 1127, stond in de internationale belangstelling. Het machtsvacuüm dat zich na zijn overlijden voordeed en de moeilijkheden rond de opvolging schiepen een kans voor een groep Brugse notabelen voornamelijk kooplui, om zich, als afgevaardigden van de stadsbevolking te profileren tegenover de gezagsdragers. Bij het aantreden van de nieuwe graaf eisten zij dan ook voor het eerst een stedelijke keure met privileges, geschonken op 11 april 1127, die een mijlpaal betekende in de groei van het stedelijke bewustzijn. Hiermee profileerde de stadsbevolking zich tegenover de traditionele feodale en rurale samenleving. Zij hadden immers andere noden zoals het verkrijgen van eigen bestuurlijke en juridische instrumenten en zij aanvaardden de rol van de graaf niet meer als vanzelfsprekend. In de loop der tijden is er veel getouwtrek geweest om de macht over de stad tussen graaf en stadsmagistraat, die hun soevereiniteit boven alles koesterde.
 
 
Naast deze institutionele verworvenheden, veranderde de fysionomie van de stad door de topografische uitbouw ervan. Dit gebeurde door de burcht en de bewoningszones te omringen met een omwalling, gevormd door muren, poorten en nog bestaande grachten.
 
 
De nieuwe bestuurssituatie hield ook in dat de stadsmagistraat verantwoordelijk werd voor een minimum aan wat we nu sociale opvang zouden noemen ten behoeve van de eigen bevolking, die aanzienlijk aangroeide en de groep vreemdelingen die in de stad woonde of tijdelijk verbleef.
 
 
In de 12de eeuw zagen de basisinstellingen het licht, die aan de belangrijkste sociale noden tegemoet kwamen.
 
 
Het is eveneens in de eerste decennia van de 12de eeuw dat Brugge een explosieve economische groei kende dank zij de vorming van het Zwin. Een brede zeearm, die na zware stormvloed de vlakte uitschuurde en een belangrijke verbinding ging vormen met de zee. Door de uitbouw van een degelijke haveninfrastructuur met complementaire voorhavens werd Brugge één van de belangrijkste havens van Noord Europa. Dit droeg bij tot de ontwikkeling van een even belangrijk internationaal handelscentrum dat in het begin vooral met Engeland contacten onderhield. Op het hoogtepunt, in de 13de eeuw was Engeland de wolleverancier voor de Vlaamse Lakenhandel. Dit kwaliteitsvol textiel werd geëxporteerd naar gans Europa via Brugge. Vanaf het einde van diezelfde eeuw voltrok er zich een grondige evolutie door een ommekeer in het Europese handelssysteem. Het transport over land werd hoe langer hoe meer vervangen door zeetransport. De actieve handel waarbij de Bruggelingen zelf gingen verkopen en inkopen, veranderde in een passieve handel. Verschillende buitenlandse handelaars uit gans Europa vestigden zich in Brugge, waar zij dank zij de gunstige maritieme ligging hun waren via de zee konden verschepen.
 
 
Vanaf 1280 tot 1480 kende de stad een grote bloei als handelscentrum met als voornaamste exportproduct het kwaliteitslaken. Vanaf de 14de eeuw ging de plaatselijke nijverheid ook een grote rol spelen door de aanmaak van afgewerkte luxe goederen, ten behoeve van de welvarende bewoners van de stad zelf, maar ook voor export bestemd. Grondstoffen om deze te vervaardigen en agrarische producten werden ingevoerd.
 
 
In de 14de eeuw evolueerde het stadsbestuur naar wat toen, een "democratisch bewind", kan genoemd worden, door de emancipatie van de ambachtsgilden, die een plaats wisten te veroveren in het stadsbestuur. Op dat ogenblik was Brugge met zijn ca 45 000 inwoners één van de grootste steden van Europa, naast Gent en Parijs, die iets meer inwoners telden. De bouw van het nog bestaande stadhuis tussen 1376 en 1421 is het symbool bij uitstek van de stedelijke macht. Op dezelfde burcht vertegenwoordigde het kapittel van Sint-Donaas nog steeds het religieuze gezag. De aanwezigheid van de grafelijke familie was minder prominent daar zij voortaan het kasteel van Male bewoonden iets buiten de stad gelegen.
In 1369 huwt Margareta van Male, dochter van de laatste graaf van Vlaanderen met Filips de Stoute, Hertog van Bourgondië, die in 1384 het graafschap erft. Gedurende een eeuw zal Vlaanderen en dus ook Brugge deel uitmaken van het machtige rijk dat door de Bourgondische hertogen werd uitgebouwd
 
 
Gedurende de 15de eeuw profileerde de stad zich als een belangrijk internationaal financieel centrum. Vooral de Italiaanse kolonie had een groot aandeel in de beurstransacties en het bankwezen. Verschillende kooplieden uit heel Europa hadden hier nog steeds hun natiehuizen. Hoewel de economische situatie zich wijzigde en de lakenindustrie en lakenhandel over hun hoogtepunt heen waren was er nog steeds een drukke bedrijvigheid. De traditionele economische activiteiten werden deels vervangen door de handel in erg gegeerde, afgewerkte, luxe producten. Brugge was een belangrijk centrum voor de edelsmeedkunst, de diamantnijverheid en de handel in deze edelstenen. Lederbewerking voor boekbanden en koffertjes en ook textiel zoals het maken van wandtapijten en kussens, maakten de stad bekend. De Brugse kunstproductie werd niet enkel door de eigen burgerij maar in gans Europa aangekocht. Hiertoe hoorde zeker de paneelschilderkunst van de "Vlaamse Primitieven". Jan Van Eyck, Petrus Christus, Hans Memling, Gerard David vestigden zich allen in deze stad. Hans Memling schilderde vier meesterwerken voor het Sint-Janshospitaal. Ook de creatie van luxe handschriften met rijke versierde initialen en boorden kende in die periode een hoogtepunt. Daarbij droeg Brugge zeker bij tot de ontwikkeling van de boekdrukkunst met figuren zoals William Caxton en Collard Mansion.
 
 

Reeds vroeg caritatieve instellingen

 
 
De hospitalen zoals we ze in Europa kennen ontstonden in de vroege middeleeuwen. Deze instellingen waren echter totaal verschillend van het hedendaagse ziekenhuis waar men vooral omwille van geneeskundige zorgen en verpleging terecht kan. In de middeleeuwen duidt het woord hospitaal vooral op "hospitalitas" of gastvrijheid. Ze waren gebaseerd op de christelijk caritas, vooral op de Benedictijnenregel, die voorschreef om alle "gasten" te ontvangen als zouden ze "Christus" zelf zijn. Pelgrims, passanten, armen en als laatste behoeftige zieken kregen er onderdak waarbij de zielzorg primeerde op de lichamelijke verzorging.
 
 
Vooral in het begin waren de hospitalen stichtingen van de geestelijkheid: verbonden aan kloosters of kapittels. In Brugge zagen de belangrijkste instellingen het licht onder impuls van de Stadsmagistraat of kwamen ze later onder hun beheer. Het waren dus huizen gesticht door de burgerij, maar de ganse levenswijze was op christelijke leest geschoeid.
 
 
Zoals vermeld werd reeds in de loop van de 12de eeuw gezorgd voor basisopvang.
 
 
Het Sint-Janshospitaal herbergde pelgrims, daklozen en arme zieken, zoals letterlijk vermeld in het oudste nog bestaande document van 1188. Het Heilig Geesthuis verleende steun aan de behoeftigen thuis en was de voorloper van de parochiedissen. Daarnaast werd een Leprozenhuis geopend, toegewijd aan de H. Magdalena.
 
 
Gedurende de 13de eeuw stichten de "Filles-Dieu" een opvanghuis voor prostituees. In het Sint-Juliaans-hospitaal kunnen passanten terecht en Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie, oorspronkelijk eveneens hospitaal, evolueert in het begin van de 15de eeuw naar een "bejaardentehuis", functie dat het nu nog vervult.
 
 
In de 14de eeuw worden verschillende kleinere passantenhuizen geopend. En vanaf die periode tot de 20st eeuw ontstaan de godshuizen. Deze groepen huisjes, meestal stichtingen van ambachten of particulieren en bestemd voor de opvang van bejaarden en behoeftige mensen zijn typisch voor onze gewesten en zijn nog duidelijk aanwezig in het stedelijk landschap.
 
 
Op de 17de-eeuwse Vriendschapsbeker, zijn de wapenschilden van het Sint-Janshospitaal, Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie, de Magdalenaleprozerij en van het Sint-Juliaanshospitaal gegraveerd. Volgens de overlevering werd deze beker gebruikt voor een heildronk bij de verkiezing van nieuwe oversten.
 
 

Het Sint-Janshospitaal

 
Het oudst bewaarde document dat deel uitmaakt van een meterslang erg interessant archieffonds dateert van 1188. Het is geen stichtingsakte maar een huishoudelijk reglement opgesteld in de Latijnse taal. In een 22-tal artikels worden de leefregels van de bewoners vastgelegd. Het handelt eerder over praktische aangelegenheden zoals onder meer de dagelijkse gebeden, de vastenvoorschriften, de houding aan tafel, de opname van pelgrims, armen en zieken, het voedsel van personeel en zieken, het aanvaarden van echtparen. Het document verschaft dus heel wat inlichtingen over de functie, het beheer en de bewoners.
 
 
Uit het verdere verloop van de geschiedenis kan afgeleid worden dat de burgerij of de stadsmagistraat meer dan waarschijnlijk vanaf het begin het beheer van deze instelling in handen hadden. Het lijkt een origineel document, waarvoor een brief van de H. Augustinus model stond. Typische religieuze kloostervoorschriften ontbreken, zodat verondersteld wordt dat Brugse leken en klerken hun medewerking verleenden voor de redactie ervan.
 
 
Naast het document van 1188, wijzen bestaande archeologische sporen er op dat er omstreeks 1150 reeds een eerste gebouw was opgetrokken.
 
 

Evolutie van de functie van de historische gebouwen van het Sint-Janshospitaal

 

De ziekenzalen:

 
 
Tot het einde van de 18de eeuw bleef de bestuursstructuur praktisch ongewijzigd met dien verstande dat de broedergemeenschap verdween omstreeks het midden van de 16de eeuw en dat de zusters ook de bestuurlijke en administratieve taken ter plaatse overnamen.
 
 
De organisatie van het leven in de ziekenzalen bleef sedert de oprichting grotendeels behouden tot 1796.
 
 
Vandaar dat het museum het verhaal brengt van de hospitaalhistoriek tot het einde van het Ancien Régime.
 
 
Vanaf 1796 voerde de Franse bezetter grondige wijzigingen door in de sociale en caritatieve sector. Het beheer van de instellingen werd aan het stadsbestuur onttrokken en in handen gegeven van een nieuwe administratie "De Commissie voor de Burgerlijke Godshuizen", voorloper van de huidige OCMW's. Daar de hospitalen als huizen van openbaar nut werden beschouwd, konden ze verder functioneren en werden hun goederen niet in beslag genomen.
 
 
De zieken bleven in de middeleeuwse gebouwen tot 1864.
 
 
Vanaf 1820 werd het interieur van de drie zalen voor het eerst verminkt door het afscheiden van de kerkruimte, eerste poging van het bestuur tot laïciseren. Na het verlies van de hospitaalbestemming werden in de loop van de19de eeuw verdere onderverdelingen gemaakt. Het waardevolle monument werd gebruikt voor allerlei doeleinden: stapelruimte, vestiaire, lokaal voor naaiwerk. Soms, in tijden van nood zoals bij epidemieën, werden er nog tot het begin van de 20ste eeuw zieken in ondergebracht. De kerk bleef dienst doen tot in 1984.
 
 

Het broederklooster:

 
 
Na het verdwijnen van de broeders, midden 16de eeuw woonde de hospitaalpastoor in deze vleugel. In 1643 werd beslist om hier een apotheek in te richten, die nog steeds te zien is. In 1972, toen de hospitaalapotheek elders op het domein onderdak vond, werden het apotheekpand, de apotheek en de aanpalende voogdenkamer bij het museumcircuit gevoegd.
 
 

Het zusterklooster:

 
 
Opgetrokken in vier fasen, gedurende de 16de en de 17de eeuw, wordt deze vleugel, palend aan de ziekenzalen en gelegen langs de Reie, nu nog door een deel van de kloostergemeenschap bewoond.
 
 

Herstellingen en restauraties aan de historische gebouwen

 
 
De oorspronkelijke volumes van de historische gebouwen werden in de loop der tijden niet fundamenteel gewijzigd. Wel werden er om functionele redenen enkele parasietlokalen tegen gebouwd. Deze bevonden zich onder meer langs de Mariastraat vanaf het portaal tot aan de Reie. Ook aan de westzijde was tegen de noordelijke beuk een 17de-eeuws gebouwtje te zien dat diende als droogplaats voor de was.
 
 
Deze werden gesloopt in het midden van de 19de eeuw, op het ogenblik dat het "nieuwe" hospitaal er kwam. Men hoopte immers om de historische gebouwen, die op dat ogenblik als weinig interessant werden aanzien, te slopen en de nieuwbouw uit te breiden tot aan de Mariastraat.
 
 
Waarschijnlijk door de tussenkomst van de Bethune werden deze waardevolle monumenten gered.
 
 
Na het slopen van de parasietlokalen zag de voorgevel van de ziekenzalen er nogal gehavend uit. M. Alleweireldt, architect van het 19de-eeuwse gebouw, kreeg opdracht om deze te herstellen. Dit gebeurde in 1857.
 
 

Mariaportaal:

 
 
Het portaal, dat reeds toegang verschafte tot de allereerste ziekenzaal, werd op het einde van de 14de eeuw verbouwd en versierd met twee taferelen die de dood van Onze -Lieve-Vrouw voorstellen. Het is één van de zeldzame voorbeelden van Brugse middeleeuwse portaalsculptuur. De overhuiving was waarschijnlijk een baksteenconstructie zoals nu nog te zien aan de westgevel van dezelfde zaal. Reeds in de 16de eeuw diende men het bakstenen portaal te herstellen.
 
 
Een tekening van Dela  Censerie toont zijn idee om het geheel op een "zachte" wijze te restaureren met eerbied voor de bestaande toestand. Na zijn dood in 1909 werd de taak overgenomen door M.J. Coomans. Zijn tekening toont een ingrijpende "verfraaiing": een theoretisch ideaalmodel van een 13de-eeuws portaal volgens de restauratieprincipes van dat ogenblik. Het ontwerp werd uitgevoerd. Het beeldhouwwerk werd "aangevuld" door M. Rooms. Een maquette van dit project bevindt zich nu op de zolder, rug aan rug met het portaal. De witte delen zijn de oorspronkelijke 14de-eeuwse overblijfsels. De gele fragmenten werden toegevoegd. Het portaal was klaar in 1913 en dient nu als toegang voor het museum.
 
 

1895-1913 Belangrijke restauratiecampagne door de architecten M. De Wulf, L. Dela  Censerie en M.J.Coomans.

 
 

Ziekenzalen, toren en broederklooster:

 
 
Verschillende ontwerpen van L. Dela  Censerie van de bestaande toestand en ook de restauratieontwerpen zijn bewaard voor praktisch alle gevels. Het zijn nauwkeurig getekende en soms prachtige ingekleurde tekeningen. De werken aan de gevels werden volgens deze plannen uitgevoerd.
 
 
Erg interessant is de opmeting van de bestaande toestand van het voormalige pand van het broederklooster. Tegen de westgevel waren er kleine kamertjes opgetrokken die dienst deden als "labo" of bereidingsruimten voor de apotheek.
 
 
Men merkt eveneens dat een portaal van omstreeks 1800 de apotheekvleugel met de ziekenzalen verbond.
 
 
Rekening houdend met de archeologische sporen werd deze vleugel in zijn "oorspronkelijke" toestand hersteld.
 
 
In de historische ziekenzalen werden de binnenmuren ontpleisterd, dit naar het 19de-eeuwse principe, want deze muren waren steeds beschilderd. Dela  Censerie bouwde eveneens een imposante afsluiting van de kerk en een trapzaal om het doksaal te bereiken, ter vervanging van een middeleeuws traptorentje dat buiten tegen de
noord gevel aanleunde.
 
 

1949-1961

 
 
In 1949 werd door de toenmalige "Commissie van Openbare Onderstand" in overweging genomen om de historische ziekenzalen, met uitzondering van de kerk, als museumlokalen in te richten. Aan twee leden werd opdracht gegeven dit voorstel te onderzoeken. Het verslag, dat erg positief klonk, werd voorgelegd op 1 december 1949. Uitgaande hiervan werd aan de bevoegde instanties advies gevraagd. Vooral de opmerkingen van de provinciale Commissie voor Monumenten waren erg interessant. Er werd uitdrukkelijk gewezen op de grote historische en architecturale waarde van het monument. Men stelde toen reeds voor om van de drie ziekenzalen opnieuw één ruimte te maken.
 
 
Dit zou leiden tot een restauratie van het gebouw onder leiding van architect J. Verbeke, die werd aangesteld in 1950. Het verloop van de werkzaamheden is te situeren tussen 1950 en 1961. De eigenlijke restauratiewerken verliepen op een vrij onsystematische wijze. Ze beslaan twee onderdelen; het eerste dossier telde reeds zes reeksen onvoorziene toevoegingen.
 
 
Het eerste dossier handelde over "herstellingswerken en verbeteringen op archeologisch vlak". Hiermee werden restauratiewerken aan het gebouw bedoeld. Wat de gevels betrof werd de zuidelijke gevel langs de Reie gerestaureerd.
 
 
Het tweede onderdeel behandelde "verbouwingen aan het interieur, nodig om de lokalen te schikken volgens de nieuwe bestemming".
 
 
Wat de eigenlijke restauratie van het interieur betrof werden de binnenmuren hersteld en de vloer uitgebroken; in sommige zones kwam er vloerverwarming. De zolderingen en daken werden hersteld. Nieuwe dakkapellen moesten de kerk beter verlichten. De elektriciteit werd aangepast.
 
 
Het voorstel om het volledige interieur een museale functie te geven was toen niet haalbaar. De kerk werd nog gebruikt door de kloostergemeenschap en diende ook als hospitaalkapel. Een nieuwe sacristieruimte werd ommuurd en nam een deel van de middenzaal in beslag. In de middenzaal verschafte een trap met imposante toren toegang tot het zusterkoor op het doksaal. De helft van de zuidelijke ziekenzaal werd gesaneerd om als vergaderzaal en vestiaire te dienen voor de zusters. Uiteindelijk bleef enkel het oostelijk deel van de zuidelijke zaal ter beschikking als museumruimte.
 
 
De 19de-eeuwse onderverdelingen werden dus opnieuw opgetrokken en er kwamen nog nieuwe muren bij.
 
 
In 1979 werd in opdracht van het OCMW een werkdocument opgemaakt met als titel: "Herinrichting van de historische gebouwen van het Sint-Janshospitaal als museumruimten".
 
 
Een reorganisatie drong zich op waarbij het museum een inhoudelijk nieuwe opstelling zou krijgen met aandacht voor het monument en voor de hospitaalhistoriek. Er diende eveneens rekening te worden gehouden met de normen wat betreft beveiliging, goede bewaring en een aangepaste presentatie.
 
 
Dit veronderstelde:
   -grondige restauratiewerken aan het monument
   -aanpassingen aan de verwarmingsinstallatie, de elektrische infrastructuur en de beveiliging, creatie van de noodzakelijke en elementaire museale infrastructuur.
   -De volledige restauratie van het gebouw en de museale herinrichting verliepen in verschillende fasen.
 
 

1983-1985

 
 
De kerk en aanpalende Corneliuskapel werden van de nodige infrastructuur voorzien om de panelen van H. Memling in onder te brengen.
 
 
In alle historische lokalen werd de elektrische uitrusting vernieuwd. Er werd ook een brand- en diefstalbeveiliging geïnstalleerd die op de algemene veiligheidscentrale van de stedelijke musea is aangesloten.
 
 

1986-1994

 
 
In deze periode werden alle gevels grondig gerestaureerd onder leiding van architect L. Vermeersch
 
 

1996-2001

 
 
Onder leiding van dezelfde architect werden de historische ziekenzalen volledig gerestaureerd en uitgerust met de nodige museale infrastructuur.
 
 
Alle gebinten en de overige houten bouwonderdelen werden gecontroleerd en hersteld. Waar nodig, werd de bedaking vervangen. De storende dakkapellen van de kerk werden afgebroken.
 
 
Twee zolders konden aan het museumcircuit toegevoegd worden. Alle latere invulmuren en andere recente toevoegingen werden verwijderd zodat de zalen opnieuw én ruimte vormen met de kerk.
 
 
 Alle infrastructuur werd vernieuwd: elektriciteit, verwarming, beveiliging.
 
 
Wat de museale aanpassingen betreft werd rekening gehouden met het monument en zijn historiek. Dank zij de opgravingen door de stedelijke archeologische dienst onder leiding van H. De Witte werd heel wat inzicht verschaft in de bouwgeschiedenis en kwamen er interessante archeologische getuigen aan het licht.
 
 
De belangrijkste nieuwe ingreep ten dienste van de bezoekers was het inrichten van een onthaalruimte. De nieuwe toegang gebeurt nu rechtstreeks via het Mariaportaal, de aloude hospitaalingang. Op archeologisch verantwoorde wijze werd een functionele ruimte geschapen, afgebakend met een glazen deels doorzichtige wandstructuur, dit om de ruimtewerking zo weinig mogelijk te schaden Hierin bevinden zich de ticketverkoop, de vestiaire en de museumshop met stockeerruimte. Er is ook een glazen lift geplaatst.
Voor publiek en personeel werden in de historische bijgebouwen langs de Reie sanitaire voorzieningen ingericht.
 
 
Dit is een bondig overzicht van de belangrijke restauratie en infrastructuurwerken die het mogelijk maakten dit waardevolle monument volledig in ere te herstellen en de middeleeuwse gebouwen een volwaardige museumfunctie te geven.
 
 
 

Het hospitaalmuseum

 
 
Voor het zover kwam had het huidige Memlingmuseum - Sint-Janshospitaal reeds een boeiende geschiedenis achter de rug.
 
 
Gedurende de 18de eeuw kwamen reeds verschillende bezoekers aanbellen om het eeuwenoude gebouw en de rijke inboedel te bezichtigen. Vele auteurs zijn geboeid door de sfeer. Anderzijds dient hier ook gewezen op wat men de "Memling-pelgrimage" zou kunnen noemen, die op gang kwam in het begin van de 19de eeuw toen de romantici de herontdekking van de "Vlaamse Primitieven" en de oude Rijnlandse meesters propageerden. Hier werden de werken van de grote 15de-eeuwse meester in hun originele biotoop ervaren.
 
 
De druk werd zo groot dat de "Commissie" besliste om de Kapittelzaal of kamer van Mevrouw (in 1685 toegevoegd aan het zusterklooster) als "Cabinet de Tableaux" in te richten en in 1939 publiek toegankelijk te stellen. Een tachtigtal kunstwerken met inbegrip van de zes Memlingpanelen vond hier een onderkomen. De bezoekers stroomden toe. Toen leefden de zieken nog in de middeleeuwse ziekenzalen.
 
 
Reeds vroeg dacht men erover om nieuwe museumlokalen in te richten. Uiteindelijk kreeg L. Dela  Censerie opdracht om het zaaltje een nieuwe aankleding te geven. In 1891 werd het plechtig heropend. Enkel de zes meesterwerken van Hans Memling, aangevuld met enkele kleinere kunstwerken, werden weerhouden. Voor de rest van het patrimonium had Dela Censerie een nieuw museum mogen bouwen langs de Dijver: het "Museum van de Burgerlijke Godshuizen". Dit werd na W.O. II gesloten.
 
 
Zoals hoger vermeld werd in 1949 een verslag opgemaakt voor de "Commissie voor Openbare Onderstand" om de mogelijkheden te onderzoeken de historische ziekenzalen als museum in te richten. In 2001 zal deze denkpiste realiteit worden.
 
 
Het circuit van het voormalige broederklooster, waarin de 17de-eeuwse apotheek en de "voogdenkamer" via een middeleeuws pand toegankelijk zijn, wordt uitgebreid.
 
 

Iconografie van het Sint-Janshospitaal

 
 
 

Het hospitaaldomein

 
 
Alles wijst erop dat de oppervlakte van het domein, sedert de stichting in de 12de eeuw, geen wijzigingen meer onderging. Het is nog steeds één van de grootste sites in de binnenstad, gelegen temidden van de Meersen. Oorspronkelijk waren dit laaggelegen graslanden.
 
 
Bij de stichting lag het Sint-Janshospitaal aan de stadsrand, juist binnen de toenmalige stadsomwalling die door de Reie wordt gevormd. Water was levensnoodzakelijk voor een hospitaal. Verschillende armen van de Reie liepen onder de ziekenzalen door.
 
 
De belangrijkste gevel en de ingang waren gelegen langs de Mariastraat, die een drukke verkeersader vormde naar het centrum.
 
 
De oudste nog bestaande beschrijving van het terrein vindt men in een register van 1547. Dit klopt volledig met wat te zien is op het beroemde stadsplan dat Marcus Gerards in 1562 graveerde. Op dat ogenblik was het grootste deel van de ziekenzalen, het broederklooster en het zusterverblijf reeds opgetrokken. Schuren, stallingen, een brouwerij en een bakkerij omringden een binnenkoer ten westen van de ziekenzalen en het zustersklooster. Langs de Reie lag een grote kruidentuin en verder waren er ook teeltgronden en een boomgaard. Het grootste deel van deze besloten tuin werd echter in beslag genomen door het kerkhof. Centraal bevond zich het 15de-eeuwse kerkhofkapelletje waarin de lijken van de overledenen werden opgebaard vooraleer begraven te worden op het kerkhof. Behalve de zieken, die in het hospitaal stierven, werden hier iedereen begraven die dood aangetroffen werd op straat evenals de ter dood veroordeelden. De zusters, broeders en hoogwaardigheidsbekleders kregen een laatste rustplaats in de kerk of in de ziekenzalen.
 
 

De historische gebouwen

 
 
Zoals reeds vermeld, wijzen archeologische sporen op het bestaan van een eerste hospitaalzaal. De lange gevel was gelegen langs de Mariastraat. Recente opgravingen hebben aangetoond dat de grote ingang centraal was geplaatst, dit komt overeen met de nieuwe museumingang. Het vrijwel rechthoekige grondplan kan nu met zekerheid aangeduid worden. De zaal, door steunen verdeeld, was waarschijnlijk overwelfd en had een verdieping. De sfeer die er heerste kan men nu nog ervaren in de Basiliuskapel, gelegen onder de Heilig Bloedkapel op de Burg. Voor de steunende delen werd waarschijnlijk lokale veldsteen en ingevoerde tufsteen gebruikt.
 
 
In het begin van de 13e eeuw werd de nog bestaande middenzaal haaks op de eerste gebouwd zodat de vorm van een letter " T " ontstond. Hierdoor werd de oorspronkelijke muur aan de tuinzijde met drie - tot vandaag behouden - scheibogen doorbroken om de verbinding te maken.
 
 
De nog bestaande ziekenzalen vormen drie enorme hallen met de smalle gevels langs de straat. Dit halletype, met rechthoekige plattegrond, komt frequent voor in de middeleeuwse hospitalen in Europa. Binnen kreeg men één grote ruimte met één of twee verdiepingen erboven, het geheel met een zadeldak afgedekt. Deze drie hallen uit de 13de en 14de eeuw slorpten de eerste zaal volledig op, met uitzondering van de oppervlakte die nu dienst doet als onthaalruimte. In de noordelijke beuk (einde 13de eeuw) bevindt zich de kerk, die vanuit de ziekenzalen te zien was.
 
 
Oorspronkelijk bestonden de vloeren uit felgekleurde geglazuurde tegels, waarvan een fragment werd teruggevonden. De huidige vloer bestaat uit de restanten van 17de-eeuwse kalkstenen, aangevuld met nieuwe tegels. De muren waren oorspronkelijk vuilwit met rode voegen om natuurstenen te imiteren. Later werden ze gekalkt.
 
 
Op de zolder boven de middenzaal dateert het indrukwekkende dakgebinte uit het einde van de 13de eeuw. Deze zolder deed dienst als verluchtingsruimte en als bergplaats. De tussenzolder van de zuidelijke beuk kan eveneens bezocht worden. Gedurende de restauratiewerken werd hier een authentieke vloer met geglazuurde groene en gele tegels gevonden. De schouw-wangen behoren tot de oudste in Brugge. Twee traveeën van deze ruimte waren bestemd als woonvertrek en slaapplaats voor de zusters voor de bouw van het klooster in 1532.
 
 
De drie monumentale zalen zijn grotendeels gebouwd in de zogenaamde Romaanse Doornikse stijl. Voor de laatste campagne wordt een mengstijl gebruikt met gotische vormen en wordt zowel uit de traditie van de burgerlijke als van de kerkelijke bouwwerken geput. Ingevoerde harde blauwsteen diende voor de steunen; baksteen, typisch voor Vlaanderen, werd voor de muren gebruikt, ingevoerd eikenhout voor steunen, balken en de indrukwekkende gebinten. De ziekenzalen domineren nog steeds de overige gebouwen van de site en de huizen van dit stadskwartier.
 
 
Naast het typisch Romaanse torentje bevindt zich het broederklooster. De langbouw gelegen langs de Mariastraat werd opgetrokken vanaf het begin van de 14de eeuw. Langs de tuinzijde werd einde 15de eeuw nog een pand met kapelletje gebouwd. Het complex wordt aangevuld met een 14de-eeuws en 16de-eeuws huis. Het eerste herbergt de zogenaamde "Memlingkamer", waar volgens de legende de 15de-eeuwse grootmeester het Ursulaschrijn zou geschilderd en voltooid hebben. Uit archiefdocumenten is gebleken dat dit de kamer van de Meester of de hospitaaloverste was.
 
 
Het sfeervolle eenvoudige pandje heeft een typisch asymmetrisch dakgebinte en omsluit een intiem binnenkoertje. Op het gelijkvloers bevonden zich de refter en de keuken. Op de verdieping lag de slaapzaal; de aanpalende lokalen, die nog hun 15de-eeuwse aankleding hebben, stonden ten dienste van de administratie. De broedergemeenschap verdween in de eerste helft van de 16de eeuw en in 1643 werd beslist om hier de nog bestaande apotheek in te richten.
 
 

Iconografie: de naam

 
 
In het huishoudelijk reglement van 1186 wordt het hospitaal "Domus beati Johannis" of "het huis van Sint-Jan" genoemd. Hiermee wordt Johannes de Evangelist bedoeld, want zijn attribuut als Evangelist, de arend, wordt op één van de zegels afgebeeld. Zeker vanaf de 15de eeuw zal Johannes de Doper hem steeds vergezellen. Het hoofdaltaar van de kerk was aan beide hospitaalpatronen toegewijd. Het "Johannesaltaar", een schitterend monumentaal drieluik dat HANS MEMLING in 1479 afwerkte sierde dit altaar. Hierop worden beide hospitaalpatroons en hun levensverhaal afgebeeld.
 
 
De attributen van de twee heiligen, de kelk met het slangetje, verwijzend naar een episode uit het levensverhaal van de Evangelist en het "Agnus Dei" of Lam Gods, verwijzend naar de evangelietekst "zie daar het Lam Gods", voor wat de Doper betreft, vormen het hospitaalschild. Dit wapenschild is vaak afgebeeld op allerlei voorwerpen zoals bijvoorbeeld op de rug van 17de-eeuwse Spaans leren stoelen. De H. Augustinus is de specifieke patroonheilige van de kloostergemeenschap en is onder meer te zien op een typisch Brugs barok eikenhouten buffetkastje.
 

Beheer, administratie en economie

 
 
De Brugse Burgerij mag, zoals reeds vermeld, als de stichter van dit gasthuis worden beschouwd.
Aanvankelijk is de voltallige stadsmagistraat, bestaande uit Burgemeester en Schepenen, oppervoogd en dus rechtstreeks verantwoordelijk voor het beheer. Zij schrijven reglementen en ordonnanties uit. Ze stellen de broeders en zusters aan en ook de hospitaalpastoor.
 
 
Vanaf de tweede helft van de 13de eeuw laat het stadsbestuur zich vertegenwoordigen door twee voogden, gekozen uit het eigen midden. Deze oefenen toezicht uit ter plaatse onder meer door het jaarlijks horen van de rekeningen, waarvan een groot deel bewaard bleef. Vanaf de 17de eeuw startte men met het schilderen van voogdenportretten. Ongeveer de hele reeks is nog ter plaatse. Deze traditie wordt nu nog voortgezet daar iedere voorzitter van de administratie, nu het OCMW, nog geportretteerd wordt.
 
 
Uit het reglement van 1188 kan reeds afgeleid worden dat een dubbelgemeenschap ter plaatse instond voor het dagelijks bestuur en de ziekenzorg. Deze wordt verkozen door de Stadsmagistraat. De meester staat aan het hoofd en is verantwoordelijk voor de administratie, voor het verwerven en beleggen van het kapitaal, voor het onderhoud en de uitbating van de bezittingen en voor de broedergemeenschap. Hij wordt bijgestaan door een econoom of "bursier".
 
 
De meesteres is het hoofd van de zustergemeenschap. Samen met de zusters staat zij in voor de ziekenzorg en het huishouden.
 
 
Vanaf het begin vormen de broeders en zusters een lekengemeenschap gebonden door het reglement van 1188. Er is geen band met enige andere kloosterorde, maar er wordt wel geleefd naar de geest van de regel van de H. Augustinus. De herkomst dient gezocht te worden in de middenstand en het ambachtelijke milieu. Er wordt nagegaan of de kandidaten lichamelijk en geestelijk geschikt zijn. De broeders moeten ouder zijn dan 20 jaar en de zusters ouder dan 15 jaar. Ten einde het patrimonium te bewaren beperkte de overheid het aantal personeelsleden. Op het einde van de 15de eeuw waren er een zevental broeders en een twaalftal zusters.
 
 
Gedurende de 15e eeuw onderging de dubbelgemeenschap een belangrijke evolutie. Omstreeks het midden van de eeuw hadden de broeders en zusters herhaaldelijk hoogoplopende twisten met hun voogdij overheid, het Brugse Stadsbestuur. Om zich gedeeltelijk aan dit gezag te onttrekken kon de lekengemeenschap met de steun van de Doornikse Bisschop Jean VII Chevrot in 1459 evolueren naar een canonieke gemeenschap. Voortaan legden zij geloften af en droegen ze een habijt.
 
 
Het lag in de lijn van de politiek die de bisschoppen in die periode voerden om te trachten gezag te krijgen over "burgerlijke" instellingen en hieraan statuten op te leggen. Hoewel er geen rechtstreekse bewijzen zijn kan de hypothese gesteld worden of dit ganse scenario ook niet georchestreerd was in het kader van de Bourgondische centraliserende politiek, waarbij de Hertogen, hier Filips de Goede, ook inmenging wilden in machtige Stedelijke Instellingen, zoals het Sint-Janshospitaal. In 1463 was de rust teruggekeerd.
 
 
De stadsmagistraat kreeg opnieuw de voogdij over de instelling en de kloostergemeenschap behield de religieuze status. Voor aangelegenheden van zuivere godsdienstige aard mocht de vertegenwoordiger van de bisschop geraadpleegd worden. Deze was voortaan ook aanwezig op het jaarlijks horen van de rekeningen. Voor de rest bleef alles bij het oude. De nieuwe status moet de broeders en zusters heel wat meer prestige en aanzien verschaft hebben. De vraag kan dan ook gesteld worden of de kloostergemeenschap zich door HANS MEMLING liet portretteren op de vier werken die voor het hospitaal werden besteld en daar nog aanwezig zijn, om haar grotere onafhankelijkheid tegenover het stadsbestuur te demonstreren. Of was het om hun sociale vooruitgang duidelijk te etaleren aan zieken en bezoekers? In dit daglicht zou het "Johannesaltaar", bestemd voor het hoofdaltaar van de kerk, als een soort politiek en sociaal pamflet kunnen beschouwd worden.
 
 
Na het verdwijnen van de broeders in de 16de eeuw zal de meesteres de taak van de meester overnemen. De gemeenschap van de zusters van Sint-Jan bestaat nog steeds.
 
 
Volgens middeleeuwse opvatting moet elke instelling zelfbedruipend zijn. Het Sint-Janshospitaal bezat een belangrijk roerend en onroerend patrimonium. Daarbij vertegenwoordigen tienden, cijnzen en renten op onroerende goederen omstreeks 1300 één derde van de inkomsten. De meeste opbrengsten komen van gronden gelegen in het Brugse Vrije, elders in Vlaanderen, in Zeeland en Brabant. Grote boerderijen, onder meer in de vruchtbare polders van het vlakke Vlaamse land gelegen werden door een broeder ter plaatse beheerd. Deze landgoederen leverden voedingswaren, zoals vlees, boter, melk, graan, vis uit visvijvers, brandstof uit veengronden en hout uit de bossen. Verschillende rekeningen bleven bewaard die een goed idee geven van de inkomsten, de exploitatie- en de onderhoudskosten.
 
 
Het onroerend bezit kwam meestal van schenkingen van particulieren. Daarnaast werden ook kleinere sommen gegeven bijvoorbeeld voor stichtingen zoals voor het maken en onderhouden van een bed, voor voedsel en drankbedelingen. Het hospitaal had recht op de erfenissen van het personeel en de zieken. Ook stedelijke privilegies werden toegekend. In de 13de eeuw was dit het recht op de palingvangst in een gedeelte van de Brugse Reien en het vergierrecht of het recht van het wijnmeten van de wijnvaten afkomstig uit Frankrijk via de zee.
 

Het leven in de ziekenzalen

 
 
Het schilderij van JAN BEERBLOCK (1739 - 1806) met Gezicht in de oude ziekenzalen, illustreert met veel zin voor pittige details het leven in dit oude hospitaal.
 
 
De studie van archiefbronnen en van het monument, laten toe te besluiten dat de schilder een tamelijk juist beeld heeft opgehangen van het interieur en van het hospitaalleven zoals het zich gedurende eeuwen en tot het einde van het Ancien Régime heeft afgespeeld. Ziekenzalen en bidruimte vormden één geheel zoals gebruikelijk in een middeleeuws hospitaal, gezien het belang van de zielzorg. Later werden de zalen gecompartimenteerd. Dank zij de laatste restauratiecampagne van 1994-2000 werden alle muren verwijderd en heeft het interieur zijn monumentale eenheid herwonnen.
 
 
Het reglement van 1188 is opnieuw de bron die inlichtingen verstrekt over de personen die opgenomen worden:" Item peregrini, ut errans,..."Eerst kunnen dus pelgrims en passanten, maar ook daklozen, armen en tenslotte arme zieken hier terecht, kortom alle mensen in nood vinden onderdak in het hospitaal.
 
 
Men komt dus in de eerste plaats uit armoede, niet omwille van de medische verzorging. De evolutie van een "gasthuis" naar een ziekenhuis grijpt plaats vanaf de tweede helft van de 19de eeuw.
 
 
Toch vormen de zieken steeds de grootste groep. Het Sint-Janshospitaal stond open voor personen van alle nationaliteiten.
 
 
Vanaf de stichting tot het einde van de 18de eeuw lag de nadruk op de zielzorg en mag men grosso modo stellen dat er zich geen spectaculaire veranderingen in het hospitaalleven hebben voorgedaan.
 
 
Men kwam op eigen middelen of met een draagstoel. Het exemplaar van het Sint-Janshospitaal is bewaard.
 
 
Gedurende de middeleeuwen worden de zieken ontvangen door een broeder, later door een zuster. Eerst en vooral dient er gebiecht te worden bij de hospitaalpastoor. Daarna onderzoekt men voor zover mogelijk de ernst van de ziekte en wordt beslist over de plaatsing in de "afdeling". Besmettelijk geachte zieken zoals lepralijders en pestlijders worden niet aanvaard. Opname van kraamvrouwen geschiedt maar na 1800. De bezittingen werden genoteerd en in een speciale kamer bewaard. Bij overlijden werden ze eigendom van het hospitaal.
 
 
De ziekenzorg berustte steeds in handen van de zusters.
 
 

Bedden en linnen

 
 
Gedurende de middeleeuwen ligt men naakt te bed. Later krijgt men op stadskosten slaapkledij en een mantel, in rood en blauw, de stadskleuren, om in de tuin te wandelen.
 
 
Alle zieken bevinden zich in één ruimte, gevormde door de drie evenwijdige hallen. Reeds vroeg waren er afdelingen te onderscheiden. Deze verschillen volkomen van het hedendaags systeem, bepaald door de medische specialisatie. Tot het begin van de 20ste eeuw gebeurt het onderscheid op basis van geslacht. In de 18de eeuw spreekt men van de "mannenreke", "vrouwenreke", "noordreke", "zuidreke" en de "doothouc".
 
 
Recent archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de alkoven reeds in de middeleeuwen in lange rijen langs de kolommen stonden opgesteld. Het maximaal aantal bedroeg 150. In tijden van nood werden er twee personen in één bed gelegd.
 
 
Iedere rij vormde een "ambacht" met eigen bezit: bepaald aantal lakens, dekens, hoofdkussens, slopen, hoofddeksels, tafellakens, gebruiksvoorwerpen. Men spreekt over banken of zetels, kastjes, tafels, badkuipen. Het meubilair was niet specifiek aangepast aan de hospitaalfunctie, zoals dit vandaag het geval is.
 
 

Inboedel

 
 
In het hospitaalpatrimonium is een schat aan, vooral eikenhouten meubels bewaard, waarvan de oudste uit de 15de eeuw dateren. Dit meubilair bevond zich zeker ook in de kloosterlokalen. Allerlei types zijn vertegenwoordigd: banken kisten, tweedeurskasten, vierdeurskasten, spindekasten, buffetkasten, stoelen.
 
 
Een reeks kleine en grote 17de-eeuwse buffetkasten waarvan de constructie en de decoratieve elementen met lijstwerk en versieringen geput uit fauna en flora, zijn typisch voor de Brugse productie.
 
 
De koffers werden zeker meegebracht door de zusters bij hun intrede.
 
 
Ook kunstwerken zoals schilderijen en beelden hingen in de ziekenzalen ten behoeve van de voorbeeldfunctie bij de zielzorg. Typisch hiervoor is de Christusiconografie met taferelen over zijn lijden en dood evenals beweningen.
   
 
Voedsel wordt klaargemaakt in koperen potten. De zieken aten met houten lepels uit houten of stenen borden. Vanaf de 18de eeuw koopt men tinnen borden aan. Met uitzondering van de speciale ziekenbekers, waren de gebruiksvoorwerpen evenmin aangepast aan de ziekenzorg. Deze gegevens kan men putten uit de "huishoudboekjes", waarin de overste de dagelijkse inkomsten en uitgaven optekende.
 
 
Verschillende zijn bewaard zoals het zeldzame exemplaar van 1751.
 
 
Enkele aardewerken borden, een veldfles, teilen en kannen hebben ook de tand des tijds overleefd.
 
 
Van de tinverzameling is er veel in het begin van de 20ste eeuw van de hand gedaan daar dit metaal werd vervangen door gelakt ijzer dat veiliger werd bevonden voor de gezondheid. Enkele borden, een schotel, een brandewijnlepel, een kannetje met de huisstempel van het Sint-Janshospitaal horen nog bij de collectie.
 
 
Een ganse verzameling glazen flessen, waarvan er verschillende uit de apotheek afkomstig zijn werden indertijd op de zolder gevonden.
 
 

Verlichting

 
 
Overdag valt licht binnen door de grote ramen. Bijverlichting gebeurt met kaarsen in kandelaars en met olielampen. Een schitterende koperen kaarsenkroon, Vlaams geelgieterswerk uit het begin van de 16de eeuw, werd waarschijnlijk voor een kapel of voor de kloosters gemaakt. De twaalf armen, in rijen van twee geplaatst bestaan uit gestileerde wijnranken, die in kaarsenhouders uitmonden. Ze verwijzen naar Christus en de christelijke gemeenschap. De schacht is bekroond met een Madonna in stralenkrans.
 
 

Verwarming 

 
 
Sporen in de muren van de zalen duiden aan dat er waarschijnlijk twee open haarden waren, wat niet zoveel is om een dergelijke volume op te warmen. Er wordt gestookt met turf en hout. Stoofjes en beddenpannen worden soms gebruikt om de kilte uit de lakens te verdrijven.
 
 

Hygiëne

 
 
Voor de 18de eeuw wordt er weinig aandacht besteed aan hygiëne, voor het behoud van de gezondheid  en het bestrijden van ziekten. Het belang van wassen en haren knippen wordt onderschat. Het Sint-Janshospitaal wordt in teksten, wel geloofd voor de netheid van de bedden en van de lokalen.
 
 
Het wassen van het linnen gebeurde in de Reie. Het werd gedroogd in een gebouwtje palend aan de noordelijke ziekenzaal langs de tuinzijde. Hoeveel maal het bedlinnen ververst werd is niet geweten. Dikwijls moesten de bewoners in het niet ververste bed van een voorganger slapen.
 
 
Toch is men er in de middeleeuwen reeds van bewust dat luchtcirculatie nodig is. Daarom hebben de zalen hoge zolderingen, soms voorzien van roosters. In de onthaalruimte is dergelijk rooster bewaard. Daarboven bevinden er zich dan nog ruime zolders.
 

.


 

Verzorging

 
 

Het personeel

 
 
Het huishouden en de ziekenzorg waren dus in handen van de zustergemeenschap met aan het hoofd een meesteres. Gedurende de middeleeuwen was één broeder verantwoordelijk voor het "onthaal", wat inhield dat er een soort diagnose werd gesteld om de zieke de juiste plaats aan te duiden in de reken, zoals reeds vermeld.
 
 
Per reke was een zuster verantwoordelijk.
 
 
Ook s'nachts werd toezicht uitgeoefend, waarschijnlijk vanuit het kleine raam in de traptoren.
 
 
Naast de afbeeldingen op de Memlingpanelen zijn er verschillende portretten van de hospitaalzusters en broeders bewaard. Er werden echter geen systematische reeksen aangelegd bijvoorbeeld van de oversten, zoals in het hospitaal van O.-L.-Vrouw ter Potterie het geval is.
 
 
Verschillende andere voorwerpen werden door de zusters gebruikt zoals de bruidskoffers, waarover reeds sprake was, maar ook allerlei zilveren voorwerpen, zoals tafelgerei, kandelaars, flessen, waarvan enkele tentoongesteld zijn.
 
 
Heel specifiek zijn de "Meigezangen". Handgeschreven en versierde gedichten, waarin het hospitaalleven beschreven wordt. Deze werden op 1 mei aangeboden aan de Mevrouw zoals de overste werd genoemd.
 
 

Het belang van de zielzorg

 
 
De"zielzorg" was dus tot het einde van de 18de eeuw veel belangrijker dan de "lichamelijke verzorging"
 
 
Hospitalen streefden er naar zo vlug mogelijk een afzonderlijke parochie te worden. Hier voltrok dit proces zich in de 13de eeuw. Dit gaf recht op het bezit van een kerkhof en klokken in de toren. Maar veel belangrijker was de permanente aanwezigheid van een eigen priester. In normale tijden werd hij aangesteld door de Stadsmagistraat. Hij heeft geen inspraak in het beleid. Hij verzorgt de kerkelijke diensten, dient sacramenten toe en begeleidt en begraaft de doden. Hij is dag en nacht ter beschikking.
 
 
Op de schilderijen van J. BEERBLOCK, ziet men links dat het kerkinterieur deel uitmaakt van de ziekenzalen. In de loop der eeuwen wordt de gebedsruimte met rijk kerkmeubilair uitgerust. Veel ervan is nog bewaard. Daarnaast waren er schilderijen en beeldhouwwerk, die niet alleen dienden om de ruimte op te smukken maar eveneens als troost dienden voor de hospitaalbewoners. Het altaar van Johannes de Evangelist en van Johannes de Doper, evenals het wereldberoemde schrijn beiden door Hans MEMLING geschilderd in de tweede helft van de 15de eeuw.
 
 
Prachtige liturgische pronkstukken werden besteld, evenals textiel en zilverwerk.
 
 
Op de werken van J. BEERBLOCK met gezicht in de ziekenzalen ziet men de zusters allerlei taken uitvoeren. Ze werden bijgestaan door "knechten en meiden", die inwoonden.
 
 
Heiligenvereringen en devoties spelen een belangrijke rol voor het verkrijgen van genezing, voor bijstand in het stervensuur en voorspraak in het hiernamaals. Verschillende heiligen zoals Cornelius en Gislenus, Apollonia en Barbara hadden een kapel of een altaar in de ziekenzalen. Hun feesten werden plechtig gevierd met een eigen liturgie en het uitstallen van de relieken. Verschillende reliekhouders zijn bewaard. De oudste is de Reliekhoorn van Sint-Cornelius, in de 16de eeuw door een Brugs Meester vervaardigd.
 
 
Cornelius werd aanbeden om kinderkwalen te genezen, zoals stuipen, ook tegen hoofdpijn, vallende ziekte en krampen. Het leven van Christus, van zijn Moeder en dat van de talrijke heiligen diende tot voorbeeld te strekken voor het aanvaarden van ziekte en dood. Zowel in de literatuur als in de plastische kunsten vindt men hiervan de weerspiegeling. Sterfboeken, armenbijbels, de "legenda aurea", de "ars moriendi", het"leven Jesu", waaruit voorgelezen werd, dienden als leidraad. Talrijke schilderijen en beelden illustreren de levenscyclus van Christus en van heiligen, of episoden uit hun leven, al dan niet gebaseerd op bijbelteksten of op apocriefe verhalen.
 
 
Ursula, afgebeeld op het oudste schrijntje van omstreeks 1400 en ook op het Ursulaschrijn van Hans Memling bekleedde een belangrijke plaats in het hospitaalleven. Ze werd aanroepen om een goede dood en moest de overledenen recht naar het paradijs leiden. Zij werd ook aanbeden voor het genezen van hoofdpijnen, taak die zij deelde met Johannes de Doper.
 
 
Devotieprenten, litanieën en medailles, zijn de vrome getuigen van volksdevoties en van het geloof dat gehecht werd aan de genezing door de aanroeping van heiligen.
 
 
In de "Schat-kiste der Litanien", in 1786 gedrukt bij Cornelis De Moor, worden ettelijke hospitaalgenezers vermeld met een summiere levensbeschrijving, maar vooral vindt men er de specifieke ziekten terug, waarvoor zij genezing boden.
 
 

De zorg voor het lichaam

 
 

De medische wetenschap

 
 
Om meer informatie te krijgen over de medische wetenschap zijn er in het Sint Janshospitaal voor de hier behandelde periode praktisch geen bronnen beschikbaar.
 
 
Enkel een drietal drukwerkjes bleven bewaard.
 
 

Dokters, chirurgijnen en barbiers

 
 
De rol van de universitair gevormde medicus is, tot de 16de eeuw beperkt want geneeskundige verzorging hoorde immers niet automatisch bij de hospitaalfunctie. In de rekeningen wordt sporadisch de komst van een dokter vermeld, meestal voor de broeders en zusters. Soms werden er urinekolven naar de dokter thuis gebracht voor het "kijken van de urine" De medicus was een intellectueel, een theoreticus. Hij kende naast het "urine lezen" ook de krachten van de kruiden en had noties van de astrologie. Hij trachtte, voor zover mogelijk, een diagnose te stellen. Hij schreef remedies voor duidde eventueel operaties aan. Het is pas vanaf 1600 dat twee medici verbonden zijn aan het hospitaal belast met de zorg voor de zieken, deze situatie zal duren tot het einde van de 19de eeuw. Verschillende dokters verwierven bekendheid door hun publicaties. In de 17de eeuw richten zij het "broederschap van Sint-Lucas" op om de waardigheid van hun beroep hoog te houden, de vriendschap onder de leden te bevorderen en de kwakzalvers te weren.
 
 
Chirurgijnen zijn reeds vroeg aanwezig. Ze worden in het kader van hun ambacht, dat in Brugge in de 14de eeuw reeds bestond, opgeleid. Om hun titel te verkrijgen moeten zij een "meesterproef" en een eed afleggen. In de schoot van het ambacht bestond de gilde van de HH. Cosmas en Damiaan, in 1666 als broederschap opgericht. Een 17de-eeuws gebeeldhouwd eikenhouten aankondigingsbord met beide heiligen op afgebeeld bleef bewaard. De chirurgijnen doen de ingrepen en uitwendige behandelingen zoals breuken zetten, amputaties, weghalen van gezwellen en stenen, helen van wonden. Voor de ingrepen moeten ze rekening houden met astrologische gegevens, zoals de goede stand van hemellichamen. Deze waren gepubliceerd in almanakken.
 
 
Ze worden bijgestaan door barbiers, eveneens ambachtelijk gevormd. Deze staan in voor het aderlaten, ze scheren de mannen en knippen de haren.
 
 
Steeds waren er twee chirurgijnen werkzaam in het Sint-Janshospitaal. Zij werden vergoed op jaarbasis.
 
 
Slechts vanaf de 17de eeuw worden de Brugse chirurgijnen verplicht om lessen in anatomie bij te wonen. Een schilderij van een ANONIEM BRUGS MEESTER, de anatomische les uit 1679, zou een aandenken zijn aan de eerste les gedoceerd in het Steen of de gevangenis op 6 en 7 januari 1675. Cornelis Keldermans en Frans Guilemin, verbonden aan het hospitaal zijn hierop afgebeeld.
 
 

Instrumenten

 
 
Instrumenten werden dus enkel gebruikt door chirurgijnen en barbiers. Er zijn weinig instrumenten bewaard voor de periode van het Ancien Régime. In de rekeningen worden ook geen aankopen vermeld. Hieruit valt misschien af te leiden dat de chirurgijnen en barbiers hun eigen materiaal meebrachten. De eerste inventarislijst van instrumenten, zeker gebruikt in het hospitaal dateert van 1840.
 
 
Enkele instrumenten vermeld in deze lijst zijn bewaard zoals de ijzeren trepanatieset. De meeste bestaan uit ijzer en hout, wat wel problemen stelde voor het steriliseren, voor zover dit in deze periode reeds werd gedaan.
 

Ziekte en dood

 
 
Een volledige inventaris van de ziekteverschijnselen is niet beschikbaar. De theoretische kennis van de geneeskunde was nog beperkt, in archiefteksten wordt er sporadisch gesproken over ingrepen. Wel is het effectieve toepassen van de therapie de verantwoordelijkheid van de chirurgijnen. Registers opgesteld tussen 1509 en 1549 vermelden in sommige gevallen onder meer de doodsoorzaak. Wat het Sint-Janshospitaal betreft zijn weinige afbeeldingen van ingrepen bewaard.
 
 
Een ANONIEM MEESTER, schilderde in het begin van de 18de eeuw het Portret van Franciscus De Wulf of Lupus. Hij was werkzaam in Sint -Jans en was beroemd voor het opereren van de staar of cataract. Hier ziet men hoe hij met een naald de zieke lens verwijdert.
 
 
Op BEERBLOCK's aquarel, Gezicht in de oude ziekenzalen van ca 1775, wordt centraal een chirurgische ingreep afgebeeld. Het betreft het "zetten" van een schouder. Op dat ogenblik gebeurde dit in de zalen in aanwezigheid van alle zieken. Privacy was niet de eerste bekommernis. Een interessant 16de-eeuws paneel gesitueerd in de omgeving van LANCELOOT BLONDEEL, hoort niet onmiddellijk bij de iconografie over ingrepen in het Sint-Janshospitaal, maar toont hoe wonden werden ontsmet, met water of alcohol. Het betreft een afbeelding van de Goede Samaritaan, gebaseerd op een parabel uit het nieuwe testament.
 
 

DOOD EN BEGRAVEN

 
 
Iedereen die onderdak vond in het hospitaal stierf er niet noodzakelijk. Toch was de doodsgedachte intensief aanwezig. Enkel reeds de afbeeldingen van de gekruisigde Christus brachten het efemere van het menselijk bestaan dagelijks voor ogen
 
 
De broeders en zusters, naast sommige hoogwaardigheidsbekleders werden tot het einde van de 18de eeuw in de kerk en zelfs in de ziekenzalen begraven. Talrijke beschilderde graven en interessante grafstenen werden recent gevonden. Daarnaast werd ongeveer een vierde van het domein ingenomen door het kerkhof, dat in de 18de eeuw beplant was met grote populieren. Op het anonieme schilderij uit het begin van de 18de eeuw met Gezicht op de westgevels, is het kerkhof duidelijk te zien. De kerkhofkalvarie, 17de en 18de eeuw, kreeg onderdak in het museum. Naargelang de periode werd de priester betaald om de volledige of gedeeltelijke uitvaartdienst te verzorgen. Het 18de-eeuwse Caritastafereeltje met gezicht op het kerkhofkapelletje, is een interessant document dat veel leert over het begraven van de armen in die periode. De tekst vraagt om giften te storten voor de personen die in strooi begraven werden ten einde hen niet alleen te begeleiden met de elementaire uitvaartgebeden, maar om de priester ook te betalen voor een mis. Voor de kapel staat een draagberrie met een dode in strooi gewikkeld. Dit waren de allerarmsten die zelfs geen lijkkist konden betalen. In 1826 verbood het stadsbestuur om nog in strooi te begraven.
 
 
Enkel een kruisweg herinnert nu nog aan deze begraafplaats waar gedurende eeuwen de behoeftige die van overal kwam aankloppen en ter plaatse overleden een laatste rustplaats vonden.
 

De kerk, de Corneliuskapel en de werken van Hans Memling

 
 
Men betreedt de kerk door de Corneliuspoort, waarboven het monumentale 14de-eeuws Corneliusbeeld staat.
 
 
De voorloper van MEMLING'S "Ursulaschrijn" is het Kleine reliekschrijn van de H. Ursula. Het werd omstreeks 1400 in Brugge gemaakt en is één van de oudste nog bewaarde paneelschilderingen van de stad. Het contrast tussen beide is tekenend voor de evolutie die de schilderkunst doormaakte gedurende een eeuw.
 
 
De kerk en Corneliuskapel herbergen de topstukken van de collectie, namelijk de werken van Hans MEMLING, geboren in Seligenstadt tussen 1430 en 1440 en in Brugge overleden in 1494.
 
 
Hij had een internationaal cliënteel. De kloostergemeenschap bestelde vier werken voor het hospitaal. Dit fenomeen heeft sedert lange jaren vele vragen doen rijzen over de band Memling - Sint-Janshospitaal. In de rekeningen of andere archiefstukken is geen spoor van betalingen terug te vinden, zodat de vraag kan gesteld worden wie deze kostbare kunstwerken financierde. Het feit dat ze nog allemaal ter plaatse bewaard zijn is ook uiterst zeldzaam.
 
 
Het drieluik van Johannes de Doper en Johannes de Evangelist staat centraal opgesteld.
 
 
Op het middenpaneel, zijn heiligen en engelen gegroepeerd rondom een Madonna. Onze-Lieve-Vrouw en Kind zitten centraal voor een eredoek uit goudbrokaat en onder een roodfluwelen baldakijn. Twee engelen houden een gouden kroon, bezet met parels en edelstenen, boven haar hoofd. Symmetrisch ten opzichte van de Madonna zit links de H. Katharina van Alexandrië, herkenbaar aan het rad en het zwaard. De lezende heilige rechts, te herkennen aan de toren, is Barbara. Iets dieper staan links, Johannes de Doper en rechts Johannes de Evangelist opgesteld. De Evangelist heeft de kelk in de hand met het gifslangetje, een allusie op het feit dat men gepoogd heeft om hem te vergiftigen. De Doper is te herkennen aan het lammetje. Hij heeft een kameelharen kleed aan en wijst iets aan. Deze houding is gebaseerd op de Evangelietekst waar de Doper de komst van Christus aankondigt met de woorden: 'Ecce Agnus Dei', 'Zie het Lam Gods'.
 
 
Het thema doet denken aan een sacra conversatione. Toch mogen de beide Johannesfiguren als de belangrijkste personages aanzien worden, gelet op de aandacht die besteed wordt om hun levensverhaal aan de hand van vele details aan de toeschouwers te vertellen. Op de kapitelen van de zuilen, in het landschap van het middenpaneel en op de zijluiken worden talrijke taferelen afgebeeld, die belangrijke momenten uit hun levensloop oproepen. Links wordt het leven van de Doper verhaald. Op het linkerluik, in het interieur, opgevat als een kamer van een middeleeuws huis danst Salome voor Herodes. Als beloning voor haar dans zal zij het hoofd van de Doper vragen. Het voorplan wordt dan ook volledig in beslag genomen door de afbeelding van de marteldood. De beul plaatst het hoofd op de schotel die een nauwelijks schrikkende Salome in de handen houdt. Enkele toeschouwers maken de kring rond. Rechts wordt volgens hetzelfde principe het leven van de Evangelist geïllustreerd. Het rechterluik is volledig in beslag genomen door het visioen van de apocalypse. Gezeten op een cirkelvormige rots temidden van de Aegeïsche zee, schrijft de Evangelist de Openbaring over het einde der tijden op, die linksboven is afgebeeld.
 
 
Het ganse verhaal is gebaseerd op de tekst van de Apocalypse, die in het nieuwe testament opgetekend staat.
 
 
Een interessant detail dat geen uitstaans heeft met beide verhalen, op het middenpaneel, rechts van het eredoek bovenaan is een gezicht op het kraanplein te Brugge, waar broeders van het hospitaal wijn aan het vergieren zijn. Gesloten, ziet men op de keerzijden van de zijluiken de portretten van de knielende opdrachtgevers in gezelschap van hun patroonheiligen. Ze staan in ondiepe nissen opgesteld. Links zit Jacob de Keuninc, lange tijd bursier, in gezelschap van de H. Jacob de Meerdere. Deze is te herkennen aan zijn pelgrimskledij en het pelgrimstekentje op zijn hoed: de Sint-Jacobsschelp. Rechts daarvan knielt Antheunis Seghers. Hij was ondermeer vergierder of wijnmeter en meester. Hij is in gezelschap van de H. Antonius Abt te herkennen aan het varkentje, de taustaf en het boek. De H. Agnes, met het lam als attribuut, beschermt Agnes Casembrood, overste van de zusters. Uiterst rechts knielt zuster Clara van Hulsem met achter haar de H. Clara, die haar monstrans in de handen houdt. Alle broeders en zusters zijn afgebeeld in het habijt, dat zij als kersverse reguliere geestelijken, sedert 1459, mochten dragen.
 
 
Op de originele lijst onderaan het middenpaneel komt de naam van Hans Memling en de datum 1479 voor.
 
 
Het voorkomen van de twee patroonheiligen van het gasthuis, laat er geen twijfel over bestaan, dat het drieluik bestemd was om het hoofdaltaar te sieren van de kerkruimte. Het schilderij ook vanuit de zalen te zien hield voor de zieken en lijdenden een belofte in voor een betere wereld in het hiernamaals temiddden van de heiligen in Memlings rustgevende sfeer.
 
 
Twee kleine drieluikjes werden waarschijnlijk voor het broederklooster besteld. Het eerste is het drieluik van Jan Floreins, eveneens besteld in 1479, zoals op de lijst staat vermeld.
 
 
Open ziet men drie taferelen uit de cyclus van Jezus' jeugd. Op het linkerluik wordt de geboorte afgebeeld in een bouwvallige stal.
 
 
Op het middenpaneel is in een gelijkaardig bouwvallig symmetrisch architecturaal decor de aanbidding der wijzen geschilderd. Volgens de legende brengen ze goud, wierook en mirre voor de boreling
 
 
Links knielt de schenker, Jan Floreins. Hij was op dat ogenblik broeder en werd achteraf ook meester.
 
 
Op het rechterzijluik ziet men de opdracht in de tempel. De scène speelt zich af in een kerkinterieur dat geïdentificeerd werd als de nu verdwenen Sint-Donaaskerk.
 
 
De Maagd geeft het kind aan Simeon. Tussen beide ziet men de profetes Anna. Achter de centrale groep, links, haalt Jozef een tortelduif uit zijn mandje, een gift der armen.
 
 
Gesloten, ziet men dat beide luiken opgevat zijn als portieken waarachter zich een landschap uitstrekt.
 
 
Links zit Johannes de Doper met het lam en op de achtergrond wordt het doopsel van Christus afgebeeld. Rechts toont Veronica, eveneens gezeten, het doek met het ware gelaat van Christus. De lijsten hebben nog hun oorspronkelijke beschildering in marmerimitatie. Ook het smeedijzeren slotje is origineel.
 
 
 
Het andere is het drieluik van Adriaan Reins, 1480 gedateerd op de originele lijst.
 
 
Op het middenpaneel wordt de bewening van Christus afgebeeld. Achter Christus houdt Johannes de Evangelist het bovenlichaam rechtop. De knielende en wenende Maagd en de H.Magdalena vergezellen hem. Jozef van Arimathea en Nicodemus bereiden de laatste rustplaats voor.
 
 
Op het linkse luik knielt de hospitaalbroeder Adriaan Reins, vergezeld van zijn patroonheilige Adriaan. Deze houdt een aambeeld met hamer en een zwaard in de handen. Hiermee werd hij gemarteld. Aan zijn voeten links ligt een ander attribuut: een leeuw, teken van zijn moed. Hier ook, zoals op het rechtse zijluik trouwens dient een landschap als achtergrond.
 
 
Rechts staat de rijkelijk getooide Barbara met haar attribuut een toren in haar rechterhand. Op de drie paneeltjes zijn op de voorgrond planten te zien.
 
 
Gesloten tonen de zijluiken hier ook twee geschilderde portieken. Op het linkerluik wordt Wilgefortis, de baardheilige, afgebeeld. Volgens de legende liet haar vader haar kruisigen daar zij omwille van haar baard niet meer uitgehuwelijkt kon worden. Op het rechterluik ziet men Maria Egyptica, de zondares die zich met drie broden terugtrok in de woestijn en er nog veertig jaar mee overleefde.
 
 
Centraal in deze beuk staat het beroemde Ursulaschrijn.
 
 
De laat-gotische reliekhouder is opgevat als een rechthoekig miniatuurhuis afgedekt met een zadeldak. Het geheel is een combinatie van kleinarchitectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst, waaraan verschillende ambachtslui hebben medegewerkt.
 
 
De beschilderde delen werden steeds aan Memling en zijn atelier toegeschreven. Op de éne smalzijde staat een madonna in een gotisch koor. Links en rechts knielen twee hospitaalzusters. Op de andere smalzijde staat Ursula met een pijl in haar rechterhand, in een gelijkaardig decor. Tien Maagden schuilen onder haar mantel.
 
 
Op de zes rondbogige taferelen van de langszijden wordt de legende van de H. Ursula en de 11.000 Maagden op verhalende wijze uitgebeeld. De vertelling is gebaseerd op de tekst opgenomen in de 13de-eeuwse 'Legenda Aurea'van Jacob van Voragine. De Engelse koning had Ursula, een Bretoense prinses, gevraagd te huwen met zijn zoon. Zij aanvaardde het aanzoek op voorwaarde dat zij eerst een pelgrimstocht naar Rome kon maken. Hiertoe zou zij tien Maagden bekeren, die op hun beurt elk duizend Maagden dienden te bekeren. Zo groeide het gezelschap uit tot de legendarische 11.000 Maagden.
 
 
In de aanpalende Corneliuskapel hangen twee portretten, afkomstig uit het voormalige Sint-Juliaans-hospitaal. Het portret van een jonge vrouw ook gekend als de Sibylla Sambetha, omwille van de opschriften die op het schilderij voorkomen. Beide teksten op de oorspronkelijkee banderol en in de renaissance-cartouche, zijn 16de-eeuwse toevoegsels. Dergelijke profetessen werden echter traditioneel op een welbepaalde wijze afgebeeld.
 
 
Hier is echter een jonge vrouw te zien, gekleed volgens de mode van die tijd.
 
 
Alle details wijzen naar de kledij gedragen in de Nederlanden in het 3de kwart van de 15de eeuw. De halffiguur is afgebeeld tegen een neutrale achtergrond, het hoofd lichtjes afgewend en de handen op elkaar gelegd, waarbij de vingertoppen deels op de lijst liggen.
 
 
De datum 1480 is aangebracht bovenaan. Verder is er geen identificatie van de dame mogelijk. De halsketting met gouden kruisje, edelstenen en parels en de talrijke ringen laten vermoeden dat het iemand is uit de hogere burgerij.
 
 
Het paneeltje is een individueel portret.
 
 
Het tweeluik van Maarten van Nieuwenhove werd in de 17de eeuw ook aan Sint-Juliaans geschonken.
 
 
Op het linkerluik is de Maagd, frontaal afgebeeld. Het naakte Kind dat ze met haar rechterhand vasthoudt zit op een goudbrokaten kussen op een tapijt en grijpt naar de appel. Het rechterpaneel toont de schenker, in driekwart naar links gedraaid, in gebedshouding met opengeslagen gebedenboek voor zich. Beide halffiguren bevinden zich in dezelfde kamer die weerkaatst wordt in een bolle spiegel links achter O.-L.-Vrouw. Door de wanden van dit interieur op de twee panelen telkens in een ander perspectief af te beelden, wordt de hoek van een kamer gesuggereerd. Doorheen de open ramen strekt zich een landschap zich. De twee torens verbonden met een brug, uiterst rechts te zien vertonen gelijkenis met de bouwwerken die het Minnewater toen afsloten.
 
 
De glasmedaillons rechts van de Maagd stellen de HH. Joris en Christoffel voor. Links ziet men het wapen van de familie van Nieuwenhove. Op het rechterluik treedt de H. Martinus, in het glasraam, op als patroonheilige. De opdrachtgever is de 23-jarige Maarten van Nieuwenhove, zoals ook vermeld wordt op de oorspronkelijke lijst, voor 1478
 

Apotheek en remedies

 
 
De medicus kende dus de theorie van de kruiden en schreef ook remedies voor. Het was de taak van de apothekers om deze te bereiden. Geneesmiddelen zijn sedert eeuwen een belangrijke hulp bij het bestrijden van ziekten. De apothekers kregen eveneens een ambachtelijke opleiding en waren al in de 14de eeuw, samen met de kruideniers verenigd in de "Neerynghe van de Cruydhalle".
 
 
In 1547 wordt op het hospitaaldomein het bestaan van een aanzienlijke kruidentuin vermeld. In 1643 beslist de overheid om een hospitaalapotheek in te richten in het voormalige broederklooster. De oude sfeervolle apotheek is nog volledig bewaard met de recepteertafel, de boorden, de pleister- en gifkast en de simpliciakast. Dit alles dateert uit de 17de en 18 de eeuw. Tussen 1643 en 1655 wordt een apotheker aangeworven, die de zusters moet opleiden. Vanaf dat ogenblik zullen steeds twee zusters de apotheek bedienen. Slechts in 1858 is men wettelijk verplicht om een geneesheer aan te stellen die toezicht dient uit te oefenen op de bereidingen.
 
 
Het schilderij van PHILIPPE VAN BREE, van voor 1847, met Gezicht in de apotheek, geeft een goed beeld van de bedrijvigheid die er heerste. Kruiden worden verlezen en grondstoffen worden verbrijzeld in de mortier. Verschillende exemplaren ook in steen, bleven bewaard. Grondstoffen en bereidingen worden opgeslagen in allerlei recipiënten, opgesteld in de rekken. De baardmankruiken, in bruine grès, afkomstig uit Bouffioux , dienden voor het opslaan van geneeskrachtige waters, wijnen en siropen. De reeks 17de-eeuwse wit geglazuurde potten met blauw etiket, naar Delfts model, zijn typische apothekerspotten. Vorm is bepalend voor de inhoud. In de cartouche wordt de naam van de remedie vermeld. In de flessen bewaart men kruidenwaters. De cilindrische potten bevatten, (U)nguentum of zalven, (P)ilulae of pillen, (E)xtractum of extracten. De cilindrische exemplaren met tuit, dienden voor (O)leum of oliepotten. De (S)irupus of strooppotten hebben een voet en een tuit. Vanaf de 19de eeuw werden er ook glazen flessen aangeschaft. De tonnetjes en 17de-eeuwse kistjes, beschilderd met acajou-imitatie en vergulde opschriften dienden voor het opslaan van plantaardige remedies en harsen.
 
 
De bewaard gebleven literatuur geeft een beeld van de boeken die geconsulteerd werden voor het maken van de bereidingen. Verschillende farmacopeeën, naast handgeschreven receptenboekjes. Eén van de belangrijkste werken is het CRUYDT-BOECK van REMBERTUS DODONAEUS of DODOENS. De laatste uitgave van 1644 werd, juist na het inrichten  van de apotheek, voor het hospitaal aangekocht.
 
 
Dit materiaal ten behoeve van de apotheek is te zien in de zogenaamde pastoorskamer, die in de 18de eeuw een nieuw kleedje kreeg. De twee balkzolen met schilddragende engelen dateren uit de 15de eeuw.
 
 
Naast de apotheek bevindt zich de voogdenkamer. Waarschijnlijk vormden beide ruimten gedurende de middeleeuwen één zaaltje. In de 17de eeuw werd het apotheekinterieur geïnstalleerd. In de loop van de 18de eeuw werden de vloeren gelegd en de plafonds naar de mode van de tijd aangepast. De voogdenkamer kreeg haar naam op het einde van de 19de eeuw, wanneer de reeks voogdenportretten van Sint-Jans en van het Sint-Juliaanshospitaal hier onderdak vonden na de reorganisatie van het hospitaalmuseum. Eén van de belangrijkste stukken uit het interieur is de barokke buffetkast, 1678 gedateerd waarop de ziekenzalen en de apotheek zijn gebeeldhouwd.
 
 
 In 1978 verliet de laatste ziekenhuisafdeling deze eeuwenoude site. De historische gebouwen met hun inboedel, het domein en het archief maken het mogelijk om het leven in het oude hospitaal op te roepe dank zij de museumfunctie die ziekenzalen en broederklooster kregen.
 
 
Hilde Lobelle - Caluwé
 
 

 


Afbeeldingen: 

(De afbeeldingen die worden vermeld zijn te zien in het PDF-document)

  • Het Burgplein met het Stadhuis van Brugge(foto)

  • J.B. van Meininckxhove †1703: De markt met hallen en belfort - Groeningemuseum.

  • Vriendschapsbeker 1664

  • Details met de gegraveerde wapenschilden van het Sint-Janshospitaal, O.L.Vrouw ter Potterie, het Magdalenahospice en het Sint-Juliaanshospice.

  • jan Beerblock (1739-1806):Gezicht in de middeleeuwse ziekenzalen, ca. 1778

  • Middenzaal, begin 13de eeuw, toestand 1942

  • Middenzaal begin 13de eeuw, toestand na de restauratiecampagne 1949-1961

  • Middenzaal begin 13de eeuw, toestand na de restauratiecampagne 1996-2001

  • Oostgevel middenzaal langs de Mariastraat; Mariaportaal einde 13de eeuw, toestand 19de eeuw vóór restauratie.

  • Oostgevel middenzaal langs Mariastraat; Mariaportaal einde 13de eeuw, niet uitgevoerd restauratieontwerp van architect L Dela Censerie uit 1909.

  • Oostgevel middenzaal langs Mariastraat; Mariaportaal einde 13de eeuw, uitgevoerd restauratieontwerp door ingenieur-architect J.Coomans, 1909.

  • Oostgevel middenzaal langs Mariastraat; Mariaportaal met nieuwe museumingang.

  • Flori van Acker(1858-1940): detail van de affiche "Bruges, la ville Musée" met een hospitaalzuster die het Ursulaschrijn toont aan twee dames, 1911.

  • E.S. Cole, gezicht op de westgevels van het Sint-Janshospitaal met op de voorgrond het 1 5de-eeuwse kerkhofkapelletje, zinco naar pentekening in Old Buildings in Bruges, Londen, 1851

  • Het anonieme schilderijtje van 1820 geeft een goed idee van het landelijk karakter dat het hospitaaldomein kenmerkte tot het nog bestaande 19"e-eeuwse ziekenhuis met acht zalen rond een binnenkoer werd gebouwd. In 1864 werd de mannenafdeling naar hier overgebracht. Het middeleeuwse hospitaal werd verlaten.

  • Hospitaalgevels langs de tuinzijde of westzijde

  • De oostgevels van het broederklooster langs de Mariastraat

  • Plattegrond van de middeleeuwse ziekenzalen:

          1. ca. 1150: oudste en achteraf ingebouwde ziekenzaal
          2.13de eeuw:eerste uitbreiding "middenzaal"
          3. einde 13de eeuw: uitbreiding "noordelijke ziekenzaal"
          4.begin 14de eeuw: uitbreiding "zuidelijke ziekenzaal"
  • De westgevels van het broederklooster vanuit de binnenkoer.
  • De historische ziekenzalen gedurende de laatste restauratiecampagne
  • De middenzolder gedurende de restauratiewerken.
  • De middenzolder met het gebinte daterend uit het einde van de 13de eeuw na restauratie
  • De tussenzolder boven de zuidelijke ziekenzaal, 14de eeuw, in ere hersteld
  • H.Memling(vóór 1440 - 1494): de hospitaalpatroons Johannes de Doper uit het Johannesaltaar, 1479
  • H.Memling(vóór 1440 - 1494):de hospitaalpatroons Johannes de Evangelist uit het Johannesaltaar, 1479
  • Brugs barok eikenhouten buffetkastje
  • H.Memling (vóór 1440 - 1494):Buitenluiken van het Johannesaltaar, 1470
  • H.Memling (vóór 1440 - 1494):broeder Jacob de Keuninc, detail van de buitenluiken van het Johannesaltaar, 1479
  • H. Memling (vóór 1440 - 1494):broeder Antheunis Seghers, detail van de buitenluiken van het Johannesaltaar, 1479
  • H. Memling (vóór 1440 - 1494):zuster Agnes Casembroodt, detail van de buitenkant van het Johannesaltaar, 1479
  • H. Memling (vóór 1440 - 1494):zuster Clara van Hulsem, detail van de buitenluiken van het Johannesaltaar, 1479
  • Perkamenten kaart van de gronden van het goed ter Lepe, 1658, detail met landmeters
  • Jan Beerblock (1739 - 1806):Gezicht in de oude ziekenzalen, 1775, Groeningemuseum.
  • Jan Beerblock (1739 - 1806):Gezicht in de oude ziekenzalen,ca 1778, Detail met Zieke in hospitaalkledij te bed gelegd.
  • Anoniem begin 18de eeuw: Gezicht op de tuin en de westgevel van het Sint-Janshospitaal; Detail met ziekenkledij voor buiten met de kleuren van het stadswapen.
  • Spindekast, Vlaanderen, 17de eeuw
  • Hangspinde, Vlaanderen, 17de eeuw
  • Koffer, Vlaanderen, 17de eeuw
  • Naar Rogier Van Der Weyden: De kruisafneming, 15de eeuw
  • Jan Beerblock (1739 - 1806):Gezicht in de oude ziekenzalen,ca 1778, detail met eetbedeling.
  • Naar Hugo Van Der Goes: De kruisafname begin 16de eeuw.
  • Naar Hans Memling: de Man van Smarten omringd door figuren en passiewerktuigen, einde 15de eeuw of begin 16de eeuw.
  • J.Vande Casteele, Brugge, 19de eeuw, tinnen ziekenbeker.
  • Tonkruik, Bouffioulx, midden 17de eeuw.
  • Koperen kaarsenkroon, Vlaams, begin 16de eeuw.
  • Jan Beerblock (1739 - 1806):Gezicht in de oude ziekenzalen,ca 1778, Detail met olielamp
  • Anoniem, begin 18de eeuw, Gezicht op de tuin en de westgevels van het Sint Janshospitaal, Detail met het wasplatform langs de Reie.
  • Anoniem, begin 18de eeuw, Gezicht op de tuin en de westgevels van het Sint Janshospitaal, Detail met het nu verdwenen drooglokaal voor de was palend aan de westgevel van de noordzaal
  • Jan Beerblock (1739 - 1806):Gezicht in de oude ziekenzalen, ca 1778, Detail met "meid" en "knecht".
  • Groepsfoto hospitaalzusters 1858.  
  • Jacob Van Oost de Oude, (Brugge 1603 - 1671) en de Jongere (Brugge 1639 - 1713): Bewening met links en rechts twee portretten van hospitaalzusters, 1665
  • Anoniem, Vlaanderen, 16de eeuw, Drieluik met de aanbidding der wijzen.
  • Atelier van de Meester van het Retabel van Rimini, Noord-Frankrijk of Vlaanderen.
  • Anoniem, vlaanderen, 16de eeuw, Dood van O.-L.-Vrouw.
  • Marcus Gheeraerts de Oude (1521 - 1587): Triomferende Christus, 1557-1558.
  • Madonna op Maansikkel, Duitsland, ca 1430.
  • Kerstwiegje, Vlaanderen, 1425-1450.
  • Jan Beerblock (1739 - 1806):Gezicht in de oude ziekenzalen,ca 1778, Detail met de hospitaalpastoor.
  • Reliekhouder van de HH.Cornelius en Ghislenus, Brugge, 16de eeuw.
  • Corneliusbeeld, Brugge,einde 14de eeuw.
  • Hans Memling (vóór 1440 - 1494): Het Ursulaschrijn, vóór 1489; Smalzijde met Ursula en de elfduizend maagden onder haar mantel.
  • Klein Reliekschrijn van de H.Ursula, Brugge,1380-1400.
  • Jan Beerblock (1739 - 1806):Gezicht in de oude ziekenzalen, Detail met medicus.
  • Anoniem, Brugge: de eerste anatomische les met chirurgijnen van het Sint-Janshospitaal, 1679.
  • Trepanatieset, 19de eeuw.
  • Anoniem, begin 18de eeuw, Gezicht op de  tuin, het kerkhof en de westgevels van het Sint-janshospitaal.
  • Jan Beerblock (1739 - 1806):Gezicht in de oude ziekenzalen met op de voorgrond een chirurgische ingreep, 1775.
  • Christus op de koude steen, begin 16de eeuw.
  • Hans Memling(vóór 1440 - 1494): Ursullaschrijn vóór 1489.
  • Hans Memling(vóór 1440 - 1494): Vrouwenportret of Sybilla Sambetha, 1480.
  • Hans Memling(vóór 1440 - 1494): Altaarstuk van Johannes de Doper en Johannes de Evangelist, 1479.
  • PH. Van Bree: Gezicht in de oude apotheek vóór 1841.
  • De voogdenkamer.
  • De Leeuwarder apotheek, Amsterdam, 1731.
  • Pharmacia Galenica et Chymica, Antwerpen, 1667.